Kalverdiarree

Eén van de problemen die zich in de jongvee opfok voor kan doen is kalverdiarree. Dit kan in de verschillende fases van de opfok en er kunnen verschillende oorzaken aan ten grondslag liggen.  

Kalverdiarree kan ontstaan vanaf de geboorte tot later in de opfok. Vaak zijn er in de verschillende levensfases specifieke kiemen aan te wijzen als de oorzaak van de diarree. Echter, dit is nooit geheel zwart-wit. Ook buiten de hieronder gekaderde periodes worden soms specifieke kiemen aangetoond en naast de hieronder genoemde, meest voorkomende kiemen komen er soms ook minder vaak voorkomende kiemen naar boven als de oorzaak van kalverdiarree. Goed onderzoek is dus van belang. Naast infectieuze oorzaken kunnen ook voeding en huisvesting een grote rol spelen. Hieronder kort een overzicht van respectievelijk de infectieuze oorzaken op chronologische volgorde, gevolgd door de niet-infectieuze diarree. Wanneer er kalverdiarree op je bedrijf speelt is altijd het advies om dit met de begeleidende dierenarts te bespreken. De aanpak is in veel gevallen niet eenduidig en een bedrijfsspecifiek advies is daarom van belang om gericht te kunnen handelen met het gewenste resultaat.

Infectieuze oorzaken

Allereerst is het belangrijk om te weten dat kalveren zonder afweerstoffen (antistoffen) tegen ziektes worden geboren. De eerste afweer tegen ziektekiemen moet dus volledig komen uit de biest. De biest bevat in meer of mindere mate antistoffen tegen kiemen die op het bedrijf voorkomen. Het is dus enorm belangrijk om zo snel mogelijk voldoende biest voor het kalf beschikbaar te hebben. De kwaliteit en hoeveelheid van de biest, geproduceerd door de koe, is via verschillende routes te beïnvloeden (denk hierbij bijvoorbeeld aan een uitgebalanceerd droogstandsrantsoen). Naast het optimaliseren van een goede biestopname (en hiermee een goede afweer), is het belangrijk om het kalf aan zo min mogelijk ziektekiemen bloot te stellen. Dit betekend als basisregels:

  • Afkalven in een schoon, droog afkalfhok, welke niet als ziekenstal wordt gebruikt;
  • Direct na de geboorte de navel ontsmetten met een jodiumhoudend middel, dit voorkomt opklimmende infectie van de nog natte navel(streng);
  • Biest hygiënisch uitmelken en schone biest (zonder vervuiling met bijv. mest) aan het kalf verstrekken;
  • Het kalf huisvesten in schone eenlingboxen met voldoende, schoon strooisel en bij een optimaal klimaat (geen tocht, indien nodig een kalverdekje op).

 

E.coli K99/Rotavirus/Coronavirus

De bacterie Escherichia coli (E.coli) en/of rota- en coronavirussen kunnen bij kalveren op zeer jonge leeftijd heftige diarree veroorzaken. Vaak treedt deze diarree al binnen de eerste levensweek op. 

E.coli is een kiem welke ook bij het gezonde dier voorkomt in het maagdarmkanaal. E.coli komt dus ook veelvuldig voor in een omgeving besmeurd met mest. Er zijn tal van types E.coli bekend, E.coli K99 is één van de bekendste types die kalverdiarree kan veroorzaken. Wanneer het kalf onvoldoende weerstand heeft gekregen (bijv. bij onvoldoende biestopname), kan E.coli K99 zich vermeerderen in de darmen en hier schade aanrichten. Dit gebeurd onder andere door de productie van gifstoffen (toxines). Waterdunne diarree, soms met bloed kan hierdoor ontstaan met een heftig verloop, soms resulterend in vrij acute sterfte. Door de optredende bloedvergiftiging kunnen kalveren al gestorven zijn voordat er diarree wordt waargenomen. Behandeling heeft in een vroeg stadium soms resultaat, door het snelle verloop is er echter vaak onvoldoende reactie op de behandeling en zijn de darmen al onherstelbaar beschadigd. De juiste preventieve maatregelen zijn daarom veel meer van belang om ziekte en sterfte te voorkomen. Zoals al eerder genoemd is het optimaliseren van de hygiëne rond en na het afkalven de eerste stap. Daarnaast dient het droogstandsrantsoen en de biestgift/-kwaliteit te worden beoordeeld. Om de biest specifiek te verbeteren kunnen de droogstaande koeien tussen de 3 weken en 3 maanden voor afkalven worden gevaccineerd. Hierdoor wordt de biest verrijkt met specifieke antistoffen tegen E.coli, rota- en coronavirussen. Een goede biestvoorziening blijft hierbij natuurlijk erg belangrijk.

Rota- en coronavirussen 

Naast bacteriën (zoals E.coli) zijn er ook virale verwekkers van kalverdiarree aangetoond. Bij jonge kalveren van enkele dagen tot meerdere weken oud wordt met enige regelmaat het rota- en/of coronavirus aangetoond. Deze virussen komen op veel bedrijven voor en vrijwel alle kalveren op een besmet bedrijf worden ermee geïnfecteerd. Het is afhankelijk van de infectiedruk en de weerstand of het virus daadwerkelijk ziekteverschijnselen veroorzaakt. De virussen beschadigen de cellen van de darmwand, waardoor de vertering ernstig wordt verstoord en er naast heftige diarree ook onvoldoende voedingsstoffen uit de voeding worden opgenomen. Een verzwakt en uitgedroogd kalf is het resultaat. Evenals bij een E.coli infectie kan het verloop sluimerend tot zeer acuut verlopen. De virussen komen nogal eens samen met bacteriële infecties voor. Doordat een virus niet met antibiotica is te bestrijden, is de behandeling symptomatisch. Antibiotica wordt in een aantal gevallen ingezet tegen secundaire bacteriële infecties. Belangrijk is het daarnaast om uitdroging te voorkomen en de kalveren van voldoende electrolyten en energie te voorzien. Preventie is bij rota- en coronavirus infecties het sleutelwoord. Preventieve handelingen zijn evenals bij E.coli gericht op het optimaliseren van de hygiëne en het toepassen van een vaccinatie bij de droogstaande koeien.

Cryptosporidium parvum en Giardia duodenalis

Naast bacteriën en virussen kunnen parasieten ook de veroorzakers van kalverdiarree zijn. Cryptosporidiose, ook wel ‘Crypto’ genoemd (veroorzaakt door onder andere Cryptosporidium parvum) en Giardiose (veroorzaakt door Giardia duodenalis) zijn hiervan twee voorbeelden.

Crypto wordt veroorzaakt door een eencellige parasiet die door kalveren oraal worden opgenomen vanuit de omgeving. De eitjes (oöcysten genoemd) kunnen door volwassen koeien of andere kalveren worden uitgescheiden en direct via de mest of indirect via het voedsel door de kalveren worden opgenomen. De oöcysten ontwikkelen zich in de darm verder en veroorzaken schade aan de cellen van de darmwand. Evenals bij rota- en coronavirussen resulteert dit in onvoldoende opname van voedingsstoffen en vaak heftige diarree, al dan niet met bloedbijmenging. Een deel van de oöcysten komt met de diarree weer in de omgeving terecht, de rest zorgt voor een herhaaldelijke infectie van het kalf. Deze uitscheiding van oöcysten kan ook optreden bij ogenschijnlijk gezonde kalveren. Kenmerkend bij crypto is in veel gevallen een geelgroene, brijachtige diarree, soms met bloed erbij. Echter, zoals eerder gezegd kan er op basis van de kleur en consistentie van de mest geen onderscheid worden gemaakt in verwekkers en is aanvullend onderzoek (mestonderzoek) daarom altijd nodig om met zekerheid vast te stellen om welke kiem het gaat. Zoals bij alle verwekkers van diarree geldt dat het optimaliseren van de hygiëne altijd prioriteit heeft, zo ook in het geval van cryptosporidiose. Schone, goed gereinigde, gedesinfecteerde en droge eenlingboxen zijn hierin belangrijk. Preventief kan er in de eerste week oraal worden behandeld met Halofuginone. Dit kan ook curatief worden ingezet. 

Giardia is in de regel verantwoordelijk voor minder uitgesproken verschijnselen. Vaak wordt er chronische diarree gezien, soms afgewisseld met periodes zonder diarree. Door verminderde opname van voedingsstoffen zijn de kalveren vaak trager, groeien onvoldoende en hebben een doffe/stekelige vacht. Ook hierbij geldt, mestonderzoek kan uitsluitsel geven of Giardia mogelijk een onderliggende oorzaak is. Voor de behandeling van Giardia zijn geen medicijnen geregistreerd, behandeling moet daarom altijd in overleg met de dierenarts. Preventief is het reinigen en desinfecteren van de kalverhokken aan te raden. 

Coccidiose

Een andere parasiet die diarree kan veroorzaken bij kalveren zijn de Eimeria soorten (bijvoorbeeld Eimeria bovis, E. zuernii en E. alabamensis). Deze parasiet wordt met name in de periode tussen drie weken en zes maanden leeftijd gezien, alhoewel uitzonderingen zeer zeker mogelijk zijn. Diarree, soms met bijmenging van bloed en achterblijven zijn de meest uitgesproken verschijnselen. Dit kan in sommige gevallen tot uitdroging en sterfte leiden. Een besmetting kan ook hier middels mestonderzoek worden aangetoond. Preventief is het voorkomen van het oraal opnemen van de besmettelijke eitjes (ook hier heten deze oöcysten) belangrijk. Het inslepen van hooi in de hokken en dit besmeurt met mest alsnog eten is een bekende besmettingsroute. Algemene hygiënemaatregelen zijn bij coccidiose wederom belangrijk. Curatief kan behandeld worden. Vaak is ook het advies om een metafylactische behandeling in te stellen vóór de periode dat de verschijnselen normaliter optreden.

Niet-infectieuze oorzaken

Naast bovengenoemde infectieuze oorzaken zijn er ook meerdere niet-infectieuze oorzaken van kalverdiarree aan te wijzen. Zo is de voeding een zeer belangrijk aspect voor een gezonde maag-darm-werking. De juiste concentratie van het juiste melkpoeder op de juiste temperatuur bijvoorbeeld is belangrijk om diarree te voorkomen. Daarnaast is een droge, tochtvrije omgeving vereist voor een goede weerstand en maximale groei wanneer er optimaal wordt gevoerd. Overleg met je begeleidende dierenarts wat op jou bedrijf het beste voedingsschema is en welke punten er mogelijk nog zijn te verbeteren qua huisvesting. 

Zo kunnen we samen de jongvee opfok nog verder optimaliseren en zorgen dat de kalveren uitgroeien tot gezonde, optimaal producerende melkkoeien. Neem voor bedrijfsspecifiek advies contact op met de praktijk of bespreek dit tijdens de rundveebegeleiding.